Koude kernfusie in KIJK

Deze week verschenen: KIJK 8/2017. Met daarin een artikel van mij dat lang op zich heeft laten wachten, over koude kernfusie of, zoals het controversiële vakgebied tegenwoordig heet: low-energy nuclear reactions of LENR. Lees een voorproefje hier.

De ontstaansgeschiedenis van dit verhaal: alweer een heel aantal jaar geleden schreef ik voor KIJK een flink artikel over kernfusie, waarin ik koude fusie in een paar kaders min of meer wegzette als onzin. Daarmee deed ik op zich niets geks; zo denkt het overgrote deel van de natuurkundigen – en zéker van de plasmafysici – over het idee dat je fusiereacties bij kamertemperatuur kan laten plaatsvinden in plaats van bij 150 miljoen graden. Meer dan leuk als het zou kunnen, maar het kan niet. Jammer maar helaas.

Desondanks komt zo’n afwijzende houding je onvermijdelijk te staan op een hoop mails van koude-fusie-enthousiastelingen, die je – soms boos, soms vriendelijk – wijzen op alle veelbelovende resultaten die zijn geboekt sinds de scheikundigen Stanley Pons en Martin Fleischmann hun resultaten bekendmaakten, de wereld daarmee een onuitputtelijke energiebron beloofden, en in de maanden erna van hun voetstuk vielen. Prima, dacht ik: als ik had geschreven dat homeopathie of creationisme onzin is, had ik ook mensen achter me aan gekregen. Hoort bij het vak.

Rollende ogen

Toch knaagde er iets. Als ik fusiewetenschappers naar hun mening over de kwestie vroeg, was de eerste reactie altijd een vermoeid rollen met de ogen, begeleid door een diepe zucht. Niet zo gek ook; ze kunnen waarschijnlijk geen publiekspraatje houden over hun eigen werk zonder dat iemand op schrille toon over koude fusie begint. Bovendien was de oudere garde er simpelweg zelf bij toen het experiment van Pons en Fleischmann eind jaren tachtig wereldwijd werd herhaald – wat uiteindelijk op de meeste plekken niets opleverde.

Maar als je dan even doorpraatte, werd het toch allemaal net wat genuanceerder. Ja, er gebeurden inderdaad wel wat gekke dingen, en ja, er waren ook aan serieuze universiteiten wel wat mensen bezig met het onderwerp. Maar die zagen ze nooit op hun wetenschappelijke conferenties en ze hadden de literatuur sinds eind jaren tachtig ook niet meer bijgehouden. Want, tja, het resultaat was niet te reproduceren, hadden ze al geconstateerd, en er was genoeg hete-kernfusie-werk te doen.

Te amateuristisch

Toen vervolgens de Franse koude-fusie-wetenschapper Jean-Paul Biberian naar Eindhoven kwam – ik meen op uitnodiging van Studium Generale – dacht ik: oké, dit is dan zo iemand die aan een heuse universiteit aan het onderwerp werkt. Misschien moet daar dan toch eens iemand voor KIJK mee gaan praten. Dus stuurde ik er een freelancer op af die zich geen knollen voor citroenen liet verkopen. Helaas: die interviewde Biberian (“aan zijn publicaties te zien een bona fide en kundig oppervlaktefysicus”), maar strandde vervolgens in de vakliteratuur. Te amateuristisch, geen geloofwaardig verhaal mee te maken, was zijn oordeel. En dus gaf hij de opdracht terug.

In principe geloofde ik zijn inschatting, maar een deel van mij wilde nog niet helemaal opgeven. Ik had nog steeds het idee dat het goed zou zijn om er in KIJK één keer écht in te duiken en de lezer onze bevindingen te vertellen. Of die bevindingen nu neerkwamen op ‘er is wel degelijk iets gaande dat om een verklaring vraagt, ook al laten de publicaties te wensen over’ of op ‘fysisch is het écht onzin en het hele vakgebied is een amateuristisch zootje’. Dan moet ik er zelf maar een keer aan geloven, dacht ik – om er vervolgens jarenlang niet aan toe te komen. Want, tja, KIJK coördineren vulde mijn dagen wel in die periode.

False balance

Toen ik eind vorig jaar echter uit dienst ging bij KIJK om (parttime) voor mezelf te beginnen, kwam mijn oude voornemen weer bovendrijven. Nu moest het er maar eens van komen, besloot ik. Voor mezelf, én voor de KIJK-lezer, zou ik me één keer serieus in de koude fusie verdiepen.

Maar hoe doe je dat? Wat de fusiewetenschappers ervan dachten, wist ik – maar dat bevredigde me niet helemaal, omdat ze ook aangaven zich er al tijden niet meer mee bezig te hebben gehouden. En online zijn natuurlijk van zowel voor- als tegenstanders hele epistels te vinden waar hun eigen achterban volledig achterstaat, terwijl de andere kant ze lachend terzijde schuift. Wat doe je dan in je artikel? Simpelweg de meningen tegenover elkaar zetten en de lezer laten kiezen?

Nee, dat doe je dan niet. Want hoe evenwichtig die benadering ook klinkt, binnen de journalistiek vormt ie een beruchte valkuil, false balance geheten. Je wekt dan de indruk dat de meningen zo ongeveer gelijkelijk verdeeld zijn over de twee kampen, terwijl dat niet zo is. Een van beide kampen kan bijvoorbeeld veel groter zijn dan het andere – of een van beide kampen heeft gewoonweg aantoonbaar ongelijk. Dan bewijs je je publiek als journalist geen dienst als je zegt ‘de een vindt dit, de ander dat, dus de waarheid zal wel in het midden liggen’. De waarheid ligt vrijwel zelden precies in het midden, en in veel gevallen een heel eind daarvandaan.

Geen fanboys

Wat ik uiteindelijk deed, was Biberian mailen met onder meer de vraag wat volgens hem de meest overtuigende papers waren met koude-kernfusieresultaten. Vervolgens vond ik twee fysici van het Nederlandse instituut DIFFER bereid om over hun bezwaren heen te stappen en hier serieus naar te kijken. Hun bevindingen legde ik weer voor aan een gerespecteerde wetenschapper die een instituut leidde waar koude-fusie-effecten worden onderzocht. (Waarom Biberian niet, denk ik nu. Tja, dat klinkt achteraf heel logisch, maar het research-proces was al met al een iets chaotischere zoektocht dan ik nu doe voorkomen.)

Daarnaast werkte ik me onder meer door een flink artikel heen van koude-fusie-proponent Edmund Storms, dat me door meerdere hete-fusie-wetenschappers was aangeraden. Ook verdiepte ik me in de meest recente onafhankelijke test die was losgelaten op de E-Cat, een opstelling van de Italiaanse ondernemer Andrea Rossi die om de zoveel tijd de media haalt – maar pas nadat ik had geconstateerd dat de test niet was uitgevoerd door een team met louter Rossi-fanboys.

Verrassende uitkomsten

Samengevat baseerde ik me dus in mijn ogen op hete-fusie-wetenschappers die bereid waren om een keer een blik over de schutting te werpen en koude-fusie-wetenschappers die bekend staan als bedachtzame, geloofwaardige onderzoekers.

Uiteindelijk leidde dat tot het verhaal dat nu in KIJK staat. Zoals altijd beperkt door het aantal woorden dat me ter beschikking stond, waardoor onder meer de E-Cat er wat bekaaid van afkomt. (Het excuus daarvoor: Rossi geeft zijn ontwerp niet vrij omdat hij er nog rijk van wil worden, waardoor zowel academische voor- als tegenstanders van koude fusie aangaven er weinig over te kunnen zeggen.)

Al met al zou ik zelf zeggen dat mijn conclusie genuanceerd is en is gebaseerd op mijn eigen research, die me zelf op punten verraste. Maar goed: ik verwacht niet anders dan dat er wel weer wat mails mijn kant op gaan komen. Zoals ik al zei: hoort bij het vak.

De KIJK-editie met het koude-fusie-artikel ligt nu in de winkel voor de actieprijs van 4,99 euro en is hier online te bestellen. Het artikel zal ongetwijfeld een dezer dagen ook op Blendle los te koop zijn.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *